if u want the english version let me know and i'll translate and post it.
Vlucht uit Belgie...
Het begon allemaal op een vrijdag om 02.00 uur, ik lag te slapen omdat ik diezelfde morgen school had. Men zus lag in de kamer boven mij en men moeder wat verder in de hal, plots werd ik wakker geschud door men zus: Jonathan, Jonathan, wakker worden! Nog slaperig vroeg ik haar waarom ze me in hemelsnaam midden in de nacht wakker had gemaakt. ‘We worden…’ Geweerschoten in de verte onderbreekten haar woorden. ‘Aangevallen! we moeten onmiddellijk weg, pak snel zoveel mogelijk spullen in je rugzak!’ Ze liep weg, maakte men moeder wakker en gaf haar dezelfde uitleg als mij, plots besefte ik wat ik moest doen, ik schoot uit men bed, pakte men rugzak van de vloer en begon er alles wat ik denk nodig te hebben in te proppen: kleren,zaklamp,..enz. Buiten hoorde ik weer geweerschoten en commotie op de straat. Na men rugzak vol gestoken te hebben liep ik de trap af en zag in de living men zus de tv kanalen checken. ‘En?’ Vroeg ik waarbij m’n verontrustende gezicht de vraag meer aanvulde dan enig woord die ik toen kon bedenken. ‘Ik kan geen enkel kanaal bekijken!’ ‘Waar gaan we naartoe?’ Vroeg ik lichtjes in paniek. ‘Voor de televisie uitviel heb ik nog kunnen zien dat er boten naar Noorwegen vertrekken, en dat er daar een groot vluchtelingenkamp is die ons zal opvangen.’ Op dat moment kwam men moeder naar beneden, angst was te lezen in haar gezicht… ‘We moeten onmiddellijk vertrekken! We pakken de auto en gaan zo naar Antwerpen en pakken daar de boot naar Noorwegen!’ Zei m’n ma tegen m’n zus. ‘En wat eten we onderweg?’ Vroeg ik, ondanks m’n paniek had ik niet gegeten en voelde me door al die comotie flauw. M’n zus haalde een plasticzak boven ‘Ik heb al het brood en alle andere eetbare dingen hierin gestoken.’ Zei ze. We liepen allemaal de deur uit en bleven stokstijf staan want we geloofden onze ogen niet: er was een duidelijke rode gloed van vuur zichtbaar in de verte, we hoorden en zagen meerdere straaljagers over vliegen en dodelijke gevechten houden boven de stad, er waren nu en dan salvo's te horen van geweren, mensen schreeuwden en liepen overal rond. Er werden hier en daar ruiten in geslagen en allerlei zaken werden gestolen. Na een halve minuut van verbazing en ongeloof begon m’n moeder schigtig rond zich te kijken: ‘waar is de auto…?’ Vroeg ze met een ondertoon van schrik. We verbleekten allemaal. Na 5 minuten koortsachtig gezocht te hebben kwamen we tot de conclusie dat hij gestolen was ‘Wat doen we nu?’ vroeg ik meer tegen mezelf dan tegen de anderen. ‘Ik denk dat we best beginnen te wandelen richting de schelde, daar liggen misschien boten die ons naar Antwerpen kunnen brengen.’ Zei m’n ma. Dus begonnen we in stevig tempo richting de ophaalbrug te stappen. Onder de weg vroegen we ons allemaal af wat er nu eigenlijk gebeurde, al wat we wisten was dat er duidelijk een militaire aanval op België was begonnen, maar van wie of waarom wisten we niet. Onderweg kwamen we veel mensen tegen die allemaal radeloos waren, kinderen die om hun moeder of vader schreeuwde, huilende vrouwen en mannen die wanhopig hun vrouwen en kinderen duidelijk maakten dat ze moesten voort maken.
Eenmaal aan de ophaal brug hoorden we straaljagers. Ze vlogen recht over ons en vuurden een salvo raketten af, seconden daarna onptlofte de Sintwalburgakerk, er vielen brokstukken in het water en we hoorden meerdere stemmen om hulp roepen. Geschokt bleven we ter plekke staan staan kijkend naar de kerk, meer dan de helft was ingestort, de huizen ernaast waren ook beschadigd of stonden in brand. M’n zus was het eerste weer bij gekomen, pakte m’n ma’s en mijn hand en trok ons verder, weg van de schreeuwen en brandende huizen.
We liepen mee met de Schelde richting een steiger waar wat bewapende middelgrote schepen lagen te dobberen. Op één ervan zagen we een oude man ijverig rondlopen, taken uit delend aan andere mensen die zich haasten om te doen wat de oude man zei. We vroegen waar hij heen ging en of we uiteindelijk mee mochten varen. ‘Waarom zou ik jullie meenemen?’ Vroeg hij met een zware strenge stem ‘Dat pakt alleen maar meer plaats in!’ ‘We hebben net genoeg eten mee voor ons allemaal’ Zei m’n ma ‘Je kunt ons hier niet zomaar achterlaten!’ Uiteindelijk gaf de man toe. ''Ok maar haast jullie! Ik wil hier geen seconde langer blijven! '' We liepen allemaal op de boot en legden onze rugzakken en reistassen tegen de veiligheidsreling van het schip, de man startte de motor op en voer zo snel mogelijk weg van Oudenaarde. Toen we achter ons keken zagen we pas de volle omgang van wat er eigenlijk aan het gebeuren was. De rode gloed was nog groter en feller geworden en nu zagen we ook de gigantische branden van het industriepark. We hoorden geweerschoten, geschreeuw en ontploffingen. Ik ritste men jas toe en staarde naar de half verwoeste stad toen ik dacht aan al mijn andere familieleden, men broer, vader, neef, nonkel, tante. Ik hoopte dat ze er heelhuids vanaf kwamen en dat we elkaar weer zouden tegenkomen op de boot of in Noorwegen. Op dat moment kwam men moeder naar me toe met een deken dat ze in de boot had gevonden, ze sloeg het rond mij en legde men hoofd op haar schoot, ze zong zacht een liedje dat ik kende toen ik nog klein was, luisterend naar het stille liedje viel ik in een onrustige slaap vol met oorlogsgeweld, brandende huizen en schreeuwen van kwelling en pein.
Toen ik wakker werd was men eerste gedachte: het was maar een droom, maar toen ik het klotsen van water hoorde en de zilte zeelucht rook verdween die gedachte snel. Toen ik opstond zag ik dat men moeder en zus nog lagen te slapen, de enige die duidelijk niet had geslapen was de oude man die rustig aan het roer stond en nu en dan een blik wierp op het schermpje dat zijn koers aangaf. ‘Zijn we er bijna?’ Vroeg ik hem. ‘Binnen een uurtje of 3 zullen we Antwerpen binnenvaren’ Antwoorde hij met een norse stem. ‘Je maakt best je moeder en je zus wakker, ze zullen fit moeten zijn als we toekomen.’ Ik deed wat de man vroeg en we aten met ons drieën wat boterhammen die we de dag ervoor hadden ingepakt. Na het kleine onbijt deden we wat taken: De boot kuisen, de reistassen terug klaar maken en andere mensen helpen hun voorbereidingen te treffen.
Toen Antwerpen in zicht kwam kregen we allemaal weer hoop dat het inderdaad terug goed ging komen. We voeren de drukke haven binnen waar we meerdere schepen zagen vertrekken. ‘Ik meer hier aan, je zult verder je eigen weg moeten zoeken’ Zei de kapitein. 'veel geluk' Zei ik tegen hem. Hij gromde eens en mompelde toen: ‘Jij ook.’ En zo gingen we op zoek naar een boot die ons naar Noorwegen ging brengen, we volgden de mensen stroom tot aan een groot ferry schip, toen we vroegen waar ze heen gingen was het antwoord: ‘Noorwegen stad: Klepp.’ We gingen naar een hokje waar een vrouw zat en tickets weggaf, we gaven ons passport af en kregen 3 tickets voor de boot. Eenmaal op de boot kregen we 3 dekens en werd ons gezegd dat we maar ergens een plek moesten zoeken, we kozen een plekje dicht bij de boeg van het schip en legden onze bagage rondom ons. We keken nog wat rond en vroegen wie dat de aanval opeiste, maar niemand wist het. Ik liep rond op het schip dat binnekort ging vertrekken en ik zocht naar mensen die ik kende, maar dat was ijdele hoop. Toen het schip vertrok was het rond 20.00 uur en gingen we op zoek naar een warme maaltijd. We vonden de cafetaria na een tiental minuutjes gezocht te hebben. Na de maaltijd keken we nog wat rond maar gingen uiteindelijk terug naar onze slaapplaats, daar vielen we alledrie al snel in slaap om terug over te gaan naar de nachtmerries die ik had sinds die vrijdag nacht.
De volgende ochtend had ik niet meer het gevoel dat het misschien een droom was, ik besefte dat het echt was en voelde me misselijk, het gevoel in men hoofd en buik bleef me bij, de dag verliep zoals de vorige en s'avonds vielen we opnieuw tamelijk snel in slaap, vooral omdat we wisten dat we de volgende dag in Klepp gingen toekomen.
Toen de zon terug boven kwam was de boot in rep en roer omdat de haven van Klepp in zicht was gekomen, we aten een snel en licht ontbijt en maakten ons klaar om de ferry te verlaten. Eenmaal in Klepp probeerden we de weg te vragen aan de mensen die voorbij kwamen, een jong koppel wist ons te vertellen dat het vluchtelingenkamp 5km verder was en dat we dezelfde weg moesten volgen waarop we nu waren. Door de zware bepakking kwamen we 2uur later toe bij de poorten van het vluchtelingenkamp, toen we onze tickets en passporten hadden getoond aan de bewaker zei die dat we maar een lege plek moesten zoeken. Eenmaal een lege plek gevonden te hebben legden we onze bagage daar neer en stelden we een tent op die we van de mensen aan de ingang hadden gekregen. We legden onze dekens erin en het meeste van onze spullen. Na een week in het vluchtelingenkamp ''gewoond'' te hebben kwam er een vlaamse vrouw bij ons en vertelde mij dat er een onderwijs systeem werd gehandhaafd in het kamp en dat ik dus ook naar het ''schooltje'' moest gaan om te leren met de andere kinderen, de lessen waren vermoeiend en ik kon me niet concentreren op wat er werd gezegd, ik dacht teveel aan mijn vrienden die ik nog niet had gevonden en ook aan mijn familie. Informatie drong traag en moeilijk binnen in het kamp, na 3 weken wisten we nog steeds niet hoe het zat met België en wie ons had aangevallen, wanneer ik ‘s nacht's ging gaan slapen dacht ik altijd nog eens aan België en wat ik daar had achtergelaten en hoopte ik dat ik ooit terug kon keren naar mijn Vaderland.
Na een tijdje ging er een gerucht dat het de Noord-Koreanen waren die een oorlog waren gestart tegen de Amerikanen en dat ze door deze verassingsaanvallen al snel heel Amerika hadden platgelegd.
Elke dag bleven er maar vluchtelingen bijkomen. Maar geen Amerikanen.. Bij 1 van die vluchtelingen zat mijn beste vriend van school Tomas, ik liep onmiddelijk naar hem toe en zag dat hij er vreselijk aan toe was. Ik leidde hem naar men tent en liet hem vertellen..
‘Weet jij nu wie er ons heeft aangevallen?’ Vroeg Ik
‘Het waren de Noord-Koreanen, het is vreselijk man.. dit is geen gewone oorlog meer dit is een genocide ik heb het allemaal gezien, kinderen die zomaar tegen de muur worden gezet en geëxecuteerd worden. KINDEREN! maar niet alleen kinderen, iedereen gewoon.’ Antwoorde hij me.
‘Waar zijn je ouders?’ Vroeg ik nadat het me inviel dat hij helemaal alleen was.
‘Toen we schuilden hebben ze ons gevonden.. Men vader heeft ze kunnen tegenhouden, ik en men moeder zijn gevlucht terwijl we ze hoorden vechten, men moeder is een tijdje geleden in haar rug doodgeschoten door een scherpschutter op de daken. Ik ben naar Antwerpen gelift met het verzet en zo naar Noorwegen.’ Vertelde hij terwijl tranen over zijn wangen rolden.
‘Het spijt me, ik wist het helemaal niet en..’
‘Het geeft niet, je kon het niet weten zei hij verdoofd. Hoe is het hier in dit kamp?’
‘ We krijgen hier wat basis lessen maar meestal komen de leerlingen gewoon niet opdagen, voor de rest is er niet zo veel te doen hier.’
‘Ok, kan ik hier bij jou blijven?’
‘Tuurlijk maatje, je kan daar liggen en… heb je nog van iemand gehoord? Iemand die we kenden ofzo?’
‘nee.. heb niemand meer gezien..’
ik knikte.
Het was me duidelijk dat tomas zijn verdriet van zijn verloren ouders opkropte, en het niet wou laten zien.
De lessen gingen traag voorbij en iedereen was down van de gebeurtenissen, sommige waren zonder levenslust en anderen waren er agressief door geworden. Al snel werd er aan drugsdealen gedaan, alle soorten werden in en uit het kamp gesmokkeld, om ons leven wat op te fleuren rookten Tomas en ik toch minstens dagelijks een joint, erbij blijvend dat we niet verslaafd waren. Op zo’n momenten keken we dan naar de lucht en discusseerden wat we het beste deden op dit moment en op één van die momenten waren Tomas en ik bezig over onze toekomstplannen: Tomas wou 100% zeker naar het verzet in België
‘We moeten die koreanen niet zomaar ons laten uitmoorden’ zei hij dan nuchter. Maar ik wist dat die blinde haat voor hen gekomen was toen ze hun ouders te grazen hadden genomen en hij niet zou rusten voor hij hen weer kon nemen op een op zijn minst even gruwelijke manier.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten